Bij verkeersongevallen in Utrecht of op de A2 en A12 rond de stad, bepaalt de Rome II-verordening welk recht geldt voor smartengeld en andere schadevergoedingen. Verschillen tussen EU-landen zijn significant: Utrechts recht, gebaseerd op Nederlands civiel recht, biedt vaak hogere immateriële schadevergoedingen dan bijvoorbeeld Duits recht in aangrenzende gebieden.
Toepassing in Utrechtse praktijk
De hoofdregel van artikel 4(1) Rome II verwijst naar het recht van de plaats delict. Een botsing op de Utrechtse Biltstraat met Nederlandse slachtoffers uit de stad leidt tot Nederlands recht, met gunstige tarieven. Maar een ongeluk in Duitsland tijdens een trip vanaf Utrecht activeert Duits recht met lagere smartengeldniveaus. Uitzondering artikel 4(2) kan Utrechts recht toepassen bij gemeenschappelijke woonplaats van partijen.
In Utrechtse zaken omvatten schadeposten lokale medische kosten bij het UMC Utrecht, inkomensverlies voor forenzen en huishoudelijke hulp. De bewijslast is in continentaal recht streng voor slachtoffers, anders dan in Angelsaksische systemen. Verjaringstermijnen: drie jaar in Nederland, versus twee jaar in België voor cross-border claims.
Rechtbanken in Utrecht passen Rome II strikt toe, geïnspireerd op HvJEU-zaak C-45/13 waar woonplaats cruciaal was. Lokale kantonrechters zien veel fietsongelukken in de binnenstad en tolwegincidenten.
Advies voor Utrechters: Documenteer woonplaats in de Domstad en delictplaats zorgvuldig voor maximale claims. Verzekeraars in de regio gebruiken Rome II strategisch in onderhandelingen bij de Rechtbank Midden-Nederland.